KHL  Kunstacademie Haarlem Leiden

Lesjaar 11 sept. 2017 t/m 18 mei 2018

Home KHL op Facebook Google Maps Email Login (Academiebord intern)

Lesmateriaal  -  Syllabi -  Syllabus kleurtheorie   |   Terug   |   Meer lesmateriaal plaatsen wij op het academiebord

afb. 7) tertiaire verfkleuren

verhelderd met wit

afb. 8) Eén volledige trilling is de beweging van 1 (midden) naar

2 naar 3 en terug naar 1.

afb. 9) Als de naastliggende deeltjes de trilling overnemen ontstaat een golf. De afstand

van a naar c is de golflengte.

afb. 10) Breking en schifting van

een witte lichtstraal in een glazen

prisma.  Elke kleur heeft z'n eigen

brekingshoek.

afb. 11) Het zonnespectrum. Boven staan de lange golven (lage frequenties), onder de

korte golven (hoge frequenties).

afb. 12) Een rood object

reflecteert het rood uit het witte

licht. Alle andere kleuren worden

geabsorbeerd.

afb. 13) Subtractieve menging:

rode en cyaankleurige verf

verdonkeren elkaar doordat

ze elkaars kleuren uit het licht

onttrekken


afb. 14) Microscopische weer-

gave van zintuigcellen in ons

netvlies. Vooraan (links en

midden) staan kegeltjes. De

overige cellen zijn staafjes.

natuurlijke kleuren


Tot en met afbeelding 5 zie je slechts primaire en secundaire kleuren. Het zijn de startkleuren van het systeem.

Vanzelfsprekend vertegenwoordigen ze niet het rijke scala van de werkelijkheid. Ze worden spectrale kleuren genoemd:

de pure kleuren uit het (zonne)spectrum. Ze zijn weliswaar natuurlijk, ze komen immers uit het licht voort, maar je komt

deze "snoepkleuren" nauwelijks tegen bij de voorwerpen om je heen. Verfkleuren of ruimer gezegd, de kleuren van ma-

terie, zijn nooit zuiver primair of secundair. Zelfs magenta, cyaan en geel zijn in verf nooit zuiver. De natuurlijke kleuren-

wereld bestaat voor het overgrote deel uit tertiaire kleuren: bruintinten, okers, mosgroenen, grijsblauwen, etc.

Afbeelding 6 toont een cirkel in tertiaire verfkleuren. Deze hoeven niet perse donker te zijn. Als je ze mengt met wit,

ontstaat een reeks zachte natuurlijke tinten (zie afbeelding 7). In het kleursysteem zullen straks álle kleuren een logi-

sche plaats krijgen: de primairen, secundairen en tertiairen, evenals de met wit verhelderde verfkleuren. In hoofdstuk 4

over het mengen van kleuren, ga ik hier op in. Eerst is het nodig meer te weten van wat kleur nu eigenlijk is.

natuurkundig


Kleur is de frequentie van het licht. Als het over frequentie gaat, spelen de volgende vijf begrippen een rol: licht is

een "trilling" die zich "voortplant" in een "golf". Zo'n golf heeft een "golflengte" die afhankelijk is van de "frequentie"

van de trilling.


Nu de uitleg. Een trilling is het heen en weer bewegen langs een bepaald (evenwichts)punt (afb. 8). Gooi je bij-

voorbeeld een steen in water, dan drukt de steen de waterdeeltjes naar beneden die daarna terug veren en nog

even op en neer blijven schommelen. Dat is trillen. Zo'n trilling heeft een bepaalde energie. De beweging zal effect

hebben op de naastliggende deeltjes die even later ook gaan schommelen. Dit noemen we het voortplanten van

de trilling. De vorm die hierdoor ontstaat heet een golf (afb. 9). Terwijl dus alle deeltjes kort na elkaar op en neer

bewegen (verticaal), verplaatst de golf zich horizontaal over het wateroppervlak. Let wel, de deeltjes gaan niet mee

met de golf maar blijven op hun plaats nadat ze zijn uitgetrild. Nu resteren nog twee begrippen. Frequentie is de

snelheid van het schommelen: het aantal trillingen per tijdseenheid ofwel het trillingsgetal. Het begrip golflengte,

tot slot, spreekt in afbeelding 9 voor zichzelf. Belangrijk: frequentie en golflengte staan met elkaar in verband. Hoe

hoger de frequentie des te korter de golf.


Tot zover de basis van trillingen en golven. Voor de volledigheid zij vermeld dat de richting van een golf loodrecht

op de trillingsrichting kan staan zoals bij water, maar ook in het verlengde ervan zoals bij geluid. In het eerste

geval spreken we van een transversale golf, in het tweede van een longitudinale.


Bij een voorbeeld als water is zo'n summiere uitleg nog wel te doen, maar wat trilt er bij licht? Licht gedraagt

zich als een trilling die zich transversaal voortplant vergelijkbaar met een golf in water, maar dan met de hoogst

denkbare snelheid (in vacuüm bijna 300.000 km per seconde). Licht kan binnen bepaalde grenzen elke frequentie

hebben en precies die bepaalt de kleur van het licht en (ruimer) de zichtbaarheid ervan, maar nogmaals wát trilt

er? Men weet het niet precies. In ieder geval geen materie want licht gaat ook door het luchtledige. In de natuur-

kunde noemt men licht een elektromagnetische trilling, waarmee voor kenners wel eigenschappen worden geduid,

maar waarmee niet echt gezegd wordt "wat het is". Dit verlies nemende kunnen we ons nu richten op de eigen-

schappen van licht want daar is veel over bekend.

breking en schifting


Voor ons is van belang dat licht kan "breken" en "schiften". Breking is het verschijnsel dat de richting van een

lichtstraal afbuigt als de straal overgaat van de ene naar de andere transparante stof, bij voorbeeld van lucht naar

glas. Breking treedt op als de lichtstraal niet loodrecht staat op op het grensvlak van beide stoffen. Schifting (of

dispersie) is het verschijnsel dat een lichtbundel bij breking uiteenvalt in verschillende kleuren als de bundel

bestaat uit stralen met verschillende frequenties. Schifting wordt verklaard uit het feit dat bij elke frequentie een

bepaalde brekingshoek hoort, waardoor elke kleur onder een eigen hoek afbuigt.


In afbeelding 10 zie je een bundel wit licht breken en schiften in een glazen prisma. De uittredende bundel valt

uiteen in de kleuren van de regenboog. Hierdoor wordt zichtbaar dat wit licht niet één kleur is, maar dat het alle

frequenties van het spectrum bevat. Dit is de achtergrond van het verschijnsel dat de primaire lichtkleuren bij

elkaar wit licht opleveren.


Niet alle elektromagnetische golven of stralen bestaan uit zichtbaar licht. Onze ogen kunnen slechts een

gedeelte van de frequenties waarnemen. Afbeelding 11 geeft een overzicht van het zonnespectrum inclusief de

niet zichtbare delen.

absorbtie en reflectie


Tot zover gaat het alleen over licht. Nu de vraag hoe materie aan z'n kleur komt. Je realiseert je dat de dingen

hun kleur aan het licht ontlenen, als je bedenkt dat witte muren in het donker niet wit zijn maar zwart. In rood

licht neigen alle dingen naar rood, in geel licht naar geel. Toch worden in wit licht de dingen niet allemaal wit.


Een tomaat is rood, zolang er rood in het licht zit. Voorwerpen hebben hun kleur door de verschijnselen

"absorptie" en "reflectie". Een rood object heeft de eigenschap het rode licht te reflecteren en alle overige licht-

kleuren te absorberen. De energie van de geabsorbeerde kleuren wordt in het object opgenomen, waardoor het

(miniem) warmer wordt. Afbeelding 12 geeft een schematische voorstelling van absorptie en reflectie bij een rood

voorwerp. De veelkleurige straal stelt hier het witte licht voor. Uitsluitend het rood daarvan wordt gereflecteerd.

Een zwart object absorbeert álle lichtkleuren. Zwart heet daarom wel de afwezigheid van licht of de afwezigheid

van kleur. Zwarte kleding absorbeert meer warmte dan witte. Wit is het omgekeerde van zwart: het reflecteert

juist alle lichtkleuren. Zuiver witte objecten bestaan overigens niet en zwarte alleen als het absoluut donker is.

additieve en subtractieve menging


Vanuit de verschijnselen absorptie en reflectie wordt het verschil tussen verfmenging en lichtmenging begrijpelijk.

In hoofdstuk 1 schreef ik dat de primaire lichtkleuren de secundaire verfkleuren zijn en omgekeerd. Bovendien zijn

de lichtprimairen de relatief donkere kleuren uit het spectrum (rood, groen, blauw) terwijl de verfprimairen juist de

felle kleuren zijn (magenta, geel, cyaan). Drie primairen geven bij verfmenging samen zwart en bij lichtmenging

wit. Verf en licht gedragen zich duidelijk tegenovergesteld. De verklaring zit in het volgende.


Twee spots geven twee maal zoveel licht als één. Anders gezegd: licht plus licht geeft extra licht. Meng je dus

twee lichtkleuren, dan ontstaat een kleur die helderder en feller is. Bijvoorbeeld: primair rood licht en primair

groen licht geven samen het felle secundaire geel. Meng je nu ook de derde primaire lichtkleur hierbij (ultramarijn)

dan wordt het geel helderder en je kunt doormengen tot je wit licht krijgt. In wit is het volledige spectrum vertegen-

woordigd. Bij lichtmenging neemt dus de kleur, c.q. de hoeveelheid kleuren toe. We noemen lichtmenging daarom

additief. Dit betekent optellend.


Verf daarentegen haalt kleur uit het licht weg. Als je meer verfkleuren met elkaar mengt, neem je meer kleuren

weg uit het licht. Verfmenging heet daarom subtractief wat onttrekkend betekent. In afbeelding 12 onttrekt het

rode voorwerp alle kleuren behalve rood uit het licht. In feite absorbeert rode verf alle tegenovergestelde kleuren,

met name het complementaire cyaan. Cyaankleurige verf absorbeert juist alle roden. Meng je dus rood met

cyaan, dan absorberen ze elkaars kleur tot je zwart overhoudt.


Licht en kleur blijven magisch, ook al zijn nu enkele essentiële eigenschappen besproken. In hoofdstuk 4 wordt

de subtractieve menging verder behandeld. Dit resulteert in een systeem waarin alle verfkleuren een plaats krijgen.

Hoofdstuk 5 behandelt het systeem voor additieve menging (beeldscherm).

fysiologisch en mentaal


De vraag wat kleur is, kan ook vanuit de fysiologie beantwoord worden. Kleur is in dit verband de prikkel die in het

oog valt, die wordt waargenomen door zintuigcellen en die vervolgens door de hersenen wordt geïnterpreteerd. Kleur

is een beleving. Ons netvlies heeft aparte zintuigen voor kleur en voor helderheid of toonwaarde. Kleur registreren

wij met de zogenaamde "kegeltjes", toonwaarde met de "staafjes". Deze cellen zijn vernoemd naar de vormen die

ze hebben.

Ons oog bevat miljoenen kegeltjes en staafjes, maar ze zijn niet gelijk over het netvlies verdeeld. De kegeltjes

bevinden zich vooral in het midden van het netvlies, de staafjes meer aan de rand. Daardoor zien we vooral de kleur

van voorwerpen recht voor ons. Aan de rand van ons gezichtsveld verdwijnen de kleuren. We zien daar voornamelijk

grijstonen.


Voor het functioneren van kegeltjes is een bepaalde lichtsterkte nodig. In de schemer vallen ze uit, terwijl de staaf-

jes ook het zwakste licht nog kunnen registreren. Daardoor zie je in de schemer geen kleur en alleen toonwaarden.


Frappant is, dat het verhaal van de drie additieve primairen terugkomt bij de kegeltjes. Wij hebben namelijk precies

drie soorten kegeltjes: voor rood, groen en ultramarijn. Dat zijn de kleuren die onze ogen echt zien. Alle andere

kleuren die wij "zien" zijn het gevolg van interpretatie: mentale menging.


De weg die kleuren in ons brein ondergaan lijkt minder doorgrondelijk dan het natuurkundige en fysiologische deel

tot nu toe. Verschillende mensen zien kleuren verschillend. Bovendien is ook voor één persoon "kleur alleen kleur

als er kleur naast staat". Kleuren beïnvloeden elkaar enorm. We hebben betekenissen en emoties bij kleuren. We

ervaren geel als een kleur die helderder is dan wit. We vinden kleurcombinaties mooi of lelijk. Over kleur valt te

twisten en kleur is de bron van veel gezichtsbedrog. Deze subjectieve kanten van kleur worden behandeld in

hoofdstuk 3.

schilderkundig


Voor de kunstenaar zijn kleuren de "klanken van de vorm". Dit klinkt te zweverig, maar je kunt een verband leggen

met begrippen in de muziek: klank is melodie en vorm is maat en ritme. Stukken uit de muziekleer zou je kunnen

vertalen naar de schilderkunst. Wat klank en vorm met elkaar doen is een wetenschap op zich. Minder poëtisch

maar praktisch gezien zijn kleuren voor de schilder, tekenaar en graficus zijn tubes en krijtjes. Verf is kleur, inkt is

kleur, krijt is kleur. In een kleurtheorie kan daarom een (korte) uitleg over deze materialen niet ontbreken.


wordt vervolgd in de lessen

2

wat is kleur ?


Waaruit bestáát kleur? Hoe komt het dat de primaire lichtkleuren exact de secundaire verfkleuren zijn en anders-

om? Zonder natuurkundige achtergrond heeft de informatie in hoofdstuk 1 iets magisch. Mengen is dan werken

met toverformules. Magisch is in mijn definitie wat nog niet begrepen is. Het begrijpen van kleur is allereerst het

begrijpen van licht. Nu is dat verschijnsel zó groot, dat het na een korte uitleg wel magisch zal blijven, maar hope-

lijk toch met een verschil. Kleur opgevat als licht is de natuurkundige benadering. Daarna volgen kort enkele

fysiologische aspecten (kleur, zintuigen, brein) en natuurlijk de vraag wat kleur is in verf. Dit wordt een syllabus

in afleveringen. Hoofdstuk 3 en de hoofdstukken daarna zullen gaan over de beleving van kleur, mengsystemen,

contrasten, het kiezen van kleur in de praktijk en een rondleiding door de theorie door middel van afbeeldingen.


reader kleurkennis kleurtheorie

k l e u r t h e o r i e

syllabus door Pieter Berkhout  © 2006 Kunstacademies Haarlem en Leiden

1. in kleur zit systeem

2. wat is kleur?

3. het subjectieve van kleur

4. kleur mengen (schilderkunst)

5. kleur mengen (computer)

6. kleurperspectief en contrasten

7. kleurkeuze in de praktijk

8. historische kleurtheoriën

9. rondleiding met voorbeelden

10. woordenlijst kleurtheorie

11. opdracht en toets

12. literatuur en websites

afb. 2) kleurencirkel

afb. 3) lichtmening (additief)

afb. 5) 12-delige kleurencirkel

voor de schilderkunst

MAGENTA GEEL rood groen CYAAN ultra- marijn

afb. 4) verfmening (subtractief)

afb. 6) de kleurencirkel

in tertiaire verfkleuren

primaire en secundaire lichtkleuren


Het lijstje sleutelkleuren van afbeelding 1 vertegenwoordigt zowel de primaire

als de secundaire kleuren. Voor het werken met licht zijn primaire kleuren:

rood, groen, ultramarijn.


Afbeelding 3 stelt drie primaire spots voor die elkaar elkaar gedeeltelijk

overlappen. Waar ze elkaar overlappen mengen de spots zich tot de

secundaire kleuren van het licht: magenta, geel, cyaan


In het midden, waar de drie lichtprimairen samenvallen, ontstaat wit.

1

in kleur zit systeem


de regenboog


Rood, oranje, geel, groen, blauw, indigo, violet. Deze vaste volgorde van kleuren in de regenboog vertaalt zich

naar een vaste plaats van kleuren in kleursystemen. Die plaats geeft inzicht in de samenstelling en eigenschap-

pen van een kleur. De wereld van de kleuren voldoet aan natuurkundige wetten. Toch is er naast het logische

natuurkundige het minder logische van de menselijke beleving waardoor kleuren minder voorspelbaar zijn dan

je natuurkundig  zou denken.

primaire, secundaire en tertiaire kleuren


Om het systeem op te bouwen hanteren we enkele centrale begrippen:

• Primaire kleuren (basiskleuren waarmee je in theorie alle andere kleuren kunt mengen).

• Secundaire kleuren (mengkleuren van twee primairen).

• Tertiaire kleuren (mengkleuren van drie primairen).

Iedereen heeft hiervan gehoord, maar kunstenaars hebben op dit gebied soms een kennisachterstand, mogelijk door

de hardnekkigheid van oude literatuur. Zo zijn veel kleurverhalen nog gebaseerd op de boeken van Johannes Itten uit

de 20er jaren van de vorige eeuw. Ittens primaire kleuren voor de schilder ("rood geel blauw") zijn niet meer adequaat.

zes sleutelkleuren


Praten over kleur leidt makkelijk tot spraakverwarring. Het genoemde rijtje van de regenboog bestaat uit onbestemde

namen uit het spraakgebruik. Ik vervang ze door zes sleutelkleuren in een vaste verschijningsvorm, hier weergegeven

in afbeelding 1: rood, geel, groen, cyaan, ultramarijn en magenta. Dit benadert meer de echte regenboog dan het

oude rijtje. Niettemin zullen helaas ook deze kleuren op verschillende computerschermen verschillend overkomen.

De volgorde is niet toevallig. Het heeft zin deze te onthouden. Als we het rijtje in een cirkel zetten, zoals in afbeelding 2,

dan ontstaat het begin van een kleursysteem.


verfkleuren en lichtkleuren


Kleur is in de eerste plaats een eigenschap van licht. De kleur van je verf komt uit het licht van de lamp of de zon.

Pas in de tweede plaats is kleur een eigenschap van de dingen die kleur hebben. Omdat je niet met licht schildert

maar met verf, kun je in een kleursysteem voor de schilder de "ware" lichtkleuren slechts imiteren met pigmenten en

kleurstoffen. Daarin zit een beperking. Daarnaast is er een groot verschil in de manier waarop verf en licht reageren.

Hierdoor gelden voor het schilderen andere primairen, secundairen en tertiairen dan voor het werken met licht zoals

op een computerscherm. We noemen mengen met verf subtractieve menging en mengen met licht additieve menging.

Deze begrippen worden uitgelegd in hoofdstuk 2.

primaire en secundaire verfkleuren


Verf werkt niet alleen anders dan licht maar zelfs precies omgekeerd. De primaire

lichtkleuren zijn de secundaire verfkleuren en andersom. In hoofdstuk 2 wordt

duidelijk hoe dat komt. In afbeelding 4 stellen de ronde schijven verf voor in de

drie primaire verfkleuren: magenta, geel, cyaan.


Waar ze elkaar overlappen (mengen) ontstaan de secundaire verfkleuren:

rood, groen, ultramarijn


In het midden mengen de drie verfprimairen zich (in theorie) tot zwart.

op naar een systeem


Zoals vermeld, is de zesdelige cirkel van afbeelding 2 het begin van een systeem. De cirkel toont de zes sleutelkleuren:

drie primairen en drie secundairen. De laatste staan steeds tussen de primairen waaruit ze zijn gemengd. Als het om

verf gaat zijn primair: magenta, geel en cyaan.

In afbeelding 5 is het aantal secundaire kleuren uitgebreid. Behalve rood als mengkleur van magenta en geel (in gelijk-

waardige hoeveelheden) zie je nu ook fuchsia (meer magenta) en oranje (meer geel). Tussen geel en cyaan zie je de

overgang van geelgroen naar groen naar blauwgroen. Het ultramarijn is uitgebreid met hemelsblauw (meer cyaan) en

violet (meer magenta). De cirkel begint nu nut te krijgen. De volgorde geeft een indruk van de mengverhoudingen en je

kunt zien welke kleuren verwant zijn.

complementaire kleuren


Behalve verwante kleuren, die in de cirkel naast elkaar staan, zijn er tegengestelde kleuren. Deze noemen we com-

plementair (aanvullend). Complementaire kleuren staan in de cirkel recht tegenover elkaar zoals rood en cyaan, oranje

en hemelsblauw, geel en ultramarijn, etc.

Realiseer je, dat in een complementair paar steeds de drie primairen vertegenwoordigd zijn. Bijvoorbeeld: bij het men-

gen van verf staat tegenover het primaire cyaan het secundaire rood. De laatste kleur is op te vatten als een mengsel

van de primairen magenta en geel. Als je dus cyaan en rood mengt, meng je in feite cyaan, magenta en geel. Zoals je

weet, ontstaat dan een tertiaire kleur. Als de drie primairen in gelijkwaardige hoeveelheden zijn vertegenwoordigd,

ontstaat in theorie zwart (zoals in afbeelding 4 in het midden). Meng je met ongelijkwaardige hoeveelheden, dan kun je

een grote diversiteit aan tertiaire kleuren creëren. Ik spreek van gelijkwaardige en ongelijkwaardige hoeveelheden, in

plaats van gelijke en ongelijke, omdat de kleurkracht van verfkleuren kan verschillen.

afb. 1) zes sleutlekleuren

rood

geel

groen

cyaan

ultramarijn

magenta

primair

lichtkleuren

magenta geel cyaan rood groen ultramarijn

secundair

primair

verfkleuren

magenta geel cyaan rood groen ultramarijn

secundair

meer syllabi